Random header image... Refresh for more!

één moeder

vriendschap moet, net als liefde, altijd weer gestalte krijgen; het moet bestendig blijken. met familie is het weer anders. vrienden zijn niet tot elkaar veroordeeld zoals familieleden dat zijn. en die veroordeling schept verplichtingen: omdat ik zoon van mijn vader ben moet ik mij ook zo tot hem verhouden, als zoon. dus niet als broer, als vriend, als echtgenoot – maar als zoon.
 
mijn moeder is eigenlijk al jaren mijn moeder niet meer. in haar plaats zijn andere vrouwen getreden, vrouwen als m., c., a.. maar als ik eerlijk ben zijn zij niet echt ‘plaatsvervangend’. de plek van mijn moeder blijft leeg. zij is onvervangbaar. niet vanwege haar unieke kwaliteiten, dat zou ze graag willen – maar vanwege het feit dat een zoon altijd maar een moeder heeft.

volo ut sis

»De gedachten van Augustinus en Heidegger over liefde: volo ut sis. Ik wil dat jij bent. Daarmee is niet gezegd: dankzij mijn wil ben jij er of ben jij niets, maar eerder: ik verlang ernaar dat jij bent zoals je bent, vanuit jezelf. Dat is een eigenaardige wil, de wil namelijk om geen wil te zijn, de ander tegenover mij niet te beheersen, maar in zijn eigen aard te laten bestaan. Ik beheers de ander niet, maar neem die voor lief. / Neem ik een ander voor lief, dan beheers ik die niet alleen niet, ik laat mij ook leiden door diens bestaan, ook al is dat voor mij niet te bezitten, beheersen of te doorgronden. Voor lief nemen, dat houdt in: in onoverbrugbaarheid wachten op tekenen van het beminde.« [Th.C.W. Oudemans, In Natura, p. 180]

hella haasse

Al valt de vorm tot gruis
nog rest de kern
het leven

In mijn gebroken huis
Ben ik intact gebleven
Ik adem door het puin
volhard onder de brokken

Wie wordt van zool tot kruin
onkwetsbaar opgetrokken,
een zuil van eeuwigheid?

Wat heb ik te verliezen?
Geduld, het duurt mijn tijd.
Het kan dooien,
Het kan vriezen.

statiën | lijdend voorwerp

“wie mij wil volgen moet zijn kruis opnemen.” opvallend is dat het hier niet gaat om ‘mijn kruis’, niet dan van een ander – laat staan het kruis van christus. opvallend is ook dat er geen sprake is van verlossing. wij moeten ons eigen kruis opnemen, maar nergens wordt gesproken van het afleggen daarvan.
 
navolgen is torsen, niet bezwijken – nooit bezwijken onder de last van ons leed.
 
ons verdriet vraagt er, net als onze liefde, om gedragen te worden. en als wij het voldragen zien we dat niet wij het zijn die onze tranen vergieten, maar onze tranen die ons vergieten.
 
een andere manier om dit te zeggen is: ik ben geen subject, maar lijdend voorwerp.

theologie in business

studenten vragen mij vaak of ik in mijn huidige werk wat heb aan mijn opleiding theologie. ik antwoord hen dan dat mijn opleiding mij op een totaal andere manier heeft leren nadenken dan in dit werk te doen gebruikelijk is. een theologisch probleem is niet op te lossen met een formule. het heeft geen oplossing omdat het strikt gesproken geen probleem, maar een vraag is.

dit antwoord kan altijd op instemmend geknik rekenen, maar ik ben er zelf steeds meer ontevreden over. want wat betekent deze andere manier van denken? en waarom is dat relevant voor het domein van de economie? zou het kunnen liggen in het feit dat elk wezen tracht te blijven bestaan (spinoza’s unaquaeque res, quantum in se est, in suo esse perseverare conatur) – en dus ook elke organisatie? deze zoektocht naar overwinning van de eindigheid is wat wij ‘leven’ noemen – en dit leven is geen probleem, maar een vraag.

dat ik moet werken om in mijn levensonderhoud te voorzien is een probleem. voor dit probleem zijn oplossingen, in casu: banen, waar ik de beste keuze uit moet maken. de vraag is welke baan ik kies en welk antwoord ik daarmee geef op de vraag hoe ik wil dat mijn leven vorm krijgt. en is dit niet de vraag aan elk leven: welke vorm wil het dat het krijgt? voor organisaties geldt dan ook: hoe willen zij bestaan? als winstgedreven ondernemingen, als verantwoordelijke organisaties, als nutsbedrijf? voor vragen van deze soort heb ik als theoloog een zintuig ontwikkeld.

het leven heeft problemen, maar is het niet.

dood radartje

ik betrap mezelf er op dat mijn gedachten de afgelopen weken steeds vaker afdwalen naar de dood. kan dit het effect zijn van de vervroegde pensionering van mijn vader? het is niet ondenkbaar. ik voel me de laatste tijd steeds sterker bepaald bij mijn positie als werknemer, als iemand die een steeds belangrijker rol inneemt in de economie. temidden van alle onzekerheden en twijfel over mijn werk is er ook het besef dat de verantwoordelijkheid nu op mij rust: ik ben vader van een kostbaar kindje, echtgenoot van een kwetsbare vrouw – voor hen zal ik moeten zorgen. en ik sta daarin op eigen benen. dat mijn vader stopt met werken maakt duidelijk dat de arbeid van de economie niet meer door twee generaties wordt volbracht. ik ben het die deze last zal moeten dragen, die radartje moet zijn in de gelaatloze machine van de economie.
 
het is echter niet mijn eigen dood die ik vrees, maar de dood van de ander. het is de wetenschap dat ik zal worden verlaten door de mensen waar ik zielsveel van houd: mijn vader voorzeker, maar misschien ook wel l., n. of mijn broertje. ook andere bakens in mijn leven zullen wegvallen: d., m., c., c.. en er is de wetenschap dat ik zelf mijn eigen dochter op eenzelfde manier zal verlaten. op een dag zal zij aan mijn bed staan en zal ik er niet meer voor haar zijn.

de sterkere zijn

ik herlees een boek over de historische jezus als een eerste stap in mijn analyse van de veertien stations of the cross van barnett newman. ik word overvallen door een diepe weemoed, een verlangen naar die wereld die ik zes jaar lang mocht bewonen: van rustig lezen, van studie, van lang vervlogen tijden, van zoeken naar betekenis die al lang is verdwenen.

vorige week interviewde ik p.s., een vooraanstaande socioloog, over de betekenis van musea voor onze samenleving. zittend bij hem in de tuin werd ik overvallen door het besef van zijn eenzaamheid: homoseksuele man, zonder partner of kinderen. zoals ik dit weekend tegen f, zei: het idee dat j. mijn hand zal vasthouden als ik sterf biedt troost in de eindigheid van mijn bestaan.

als j. aan het einde van de dag vermoeid haar hoofdje op mijn schouder legt is het moeilijk voor te stellen dat er een tijd komt dat de rollen worden omgedraaid: niet ik, maar zij zal van ons twee de sterkere zijn.

“zij geeft mijn toekomst een gezicht.” nee: “zij geeft onze toekomst een gezicht.” dit wezentje zal nooit van mij zijn – zij is altijd eerst iets van ‘ons’.

en kroop verder

zij voedt zich met hetzelfde voedsel als ik, reageert op de muziek waar ik van houd en heeft door dat ze niet met haar eten mag gooien of aan mijn telefoon mag zitten. en: zij staat, wiebelend – maar zij staat. zelfstandig: ja, in zekere zin begint j. dat te worden.

mijn naam is sinds een week ‘tata’ en wordt in j.’s beperkte vocabulair effectief ingezet. vorig weekend zat ik ’s ochtends op de bank een boek te lezen, hoor ik mijn “naam”. j. zat op haar knietjes bij de box en toen onze blikken elkaar kruisten zei ze “huuuu. huuuu”. vervolgens ging ze op haar buik liggen om onder de box te kijken. toen ik op mijn beurt naast haar ging liggen bleek dat haar fles buiten het bereik van haar handjes onder de box was gerold. toen ik de fles pakte en aan haar gaf lachtte ze, nam een slok een kroop verder.

dehumanisering

bedrijven hebben de neiging om intermenselijke relaties te dehumaniseren.

ik hoorde gisteren van een onderzoek naar leiderschap. dit onderzoek had een zestien-tal leiderschapskwaliteiten gedefinieerd. wat bleek is dat mensen worden gezien als exceptionele leiders als zij op slechts drie van deze kwaliteiten uitmuntend scoren. in vrijwel elke leiderschapstraining waar ik mee bekend ben wordt dit inzicht volledig genegeerd. en ook mijn werkgever is vastbesloten om iedereen naar eenzelfde niveau te trekken in plaats van mensen aan te sporen juist die drie / vier kwaliteiten te ontwikkelen die hem of haar zullen laten excelleren.

middelmatigheid is de vloek van het coöperatieve model

op eigen benen

j. staat sinds twee weken steeds meer op haar eigen beentjes. letterlijk, in dit geval: steeds vaker staat zij steeds langer los. met een bal, boek of stuk papier in haar handjes wiebelt ze wat onwennig op haar beentjes en grijpt zich vast aan de tafel of kast als ze haar balans dreigt te verliezen. haar eerste verjaardag heeft mij bepaald bij de vraag of ik haar ooit echt heb vastgehouden. is een kind niet een geschenk dat je ontvangt en eigenlijk meteen los moet laten? en ligt hier niet een van de bronnen van de diepe ambivalentie die de ouder-kind-relatie kenmerkt: het feit dat ik wil vasthouden en j. vrijwel vanaf dag een zelfstandig wil zijn, maar ook dat ik wil dat j. leert op eigen benen te staan en zij zich angstig aan mij vastklampt als dat niet lukt.