Random header image... Refresh for more!

in de tuin van dante

“Geen dood besprong hem nog”, hernam de meester, “geen zonde sleurt hem voort ter droeve foltring, maar tot vervulling van zijn diepste wezen moet ik, een dode, zijn geleider wezen van kring tot kring door heel de helle-diepte…” (Inferno, Canto XXVIII, 46-50). dante’s tocht geschiedt ‘tot vervulling van zijn diepste wezen’ – maar hoe? en waarom? wat betekent het om door de hel te gaan en de louteringsberg te beklimmen om in de hemel te komen?

in de hel wijst vergilius dante terecht omdat hij “geniet” van het lijden. het groteske heeft inderdaad zijn aantrekkingskracht, net als de rechtvaardigheid.

opvallend is ook dat vergilius als geleider beperkte houdbaarheid heeft: het is uiteindelijk beatrice die dante het paradijs doet schouwen.

dante maakte zijn tocht “juist midden op de reistocht van ons leven”, d.w.z. als hij 35 jaar oud is. dit is ook mijn leeftijd. en midden op de reistocht van mijn leven heb ik geen enkel besef van richting.

ik loop met mijn enig kind door de tuin. de zon schijnt, zij zet het op een drafje terug naar “het paleis” waar “de prinsen wonen”. het leven voelt eindig, alsof dit alles nooit weerkeert – alsof het al voorbij is nog voor het begint.

dit besef van eindigheid te laten bestaan, mij voor dit moment te laten bepalen – het is een vreemd soort troost. hier ben ik, met mijn voeten in dit gras en daar is mijn dochter. hier ben ik en daar is het huis, met de tuin en de geiten. en ik zie mijzelf glashelder, zo helder als het huis, de tuin en de geiten in het toscaanse licht. mijn dochter rent, draait haar hoofd om en lacht. ik ben haar vader, ik sta met mijn voeten in het gras. ik sta hier en hier is het goed.

opvoeding

»De theoretische bezinning dwingt tot rekenschap, legt ons open voor kritiek van en discussie met anderen, dwingt ons onszelf kritisch te zien en dus te her-zien. Dat “pedagogiek studeren” zelf anders worden betekent, heeft Gunning reeds duidelijk doen gevoelen.« [Langeveld, p.16]

het mooie aan langeveld’s beknopte theoretische paedagogiek is de nadruk die het legt op ouder en kind als polen van het opvoedingsveld. het kind is een mensenwezen dat op weg is van de hulpeloze geboorteling naar de volwassen mens die beschikt over ‘zelfverantwoordelijke zelfbepaling’. als zodanig is het kind tegelijk ‘al reeds’ en ‘nog niet’ volwassen. de tocht naar volwassenheid is een hachelijk avontuur, voor zowel ouder als kind. want waar het kind moet leren om in toenemende mate op eigen benen te staan, daar moet de ouder leren het kind te laten staan – en vallen.

prachtig hoe langeveld schrijft hoe ouder en kind zich wederzijds met elkaar identificeren: de ouder “is” het kind wanneer het bepaalt dat het kind naar bed gaat. en het kind “is” de ouder als het zich laat leiden door dit gezag. dit illustreert ook meteen het gevaar dat je als ouder deze identificatie blijft veronderstellen, dat wil zeggen: blijft leunen op een gezag dat er al lang niet meer is.

langeveld spreekt ook over de natuurlijke omvang van ouders en kinderen als een ‘pedagogisch gepreformeerd veld”, dat wil zeggen: als een levensdomein dat de mogelijkheid van een opvoedkundige dimensie in zich heeft. zo is het wellicht met de hele wereld ten opzichte van het transcendente: het is een transcendentaal gepreformeerd veld, waar wij, indien wij daar oog voor hebben, het eeuwige kunnen schouwen.

op het spoor

»dan is een beeld geen afbeelding, geen inbeelding en geen verbeelding, maar een icoon waarin het woord eikoo, wijken te horen is. zij laten iets zien en daarin verhullen ze datgene wat ze op weg gebracht heeft – dus niet iets bovenzintuiglijks. ze zijn erblickbare Einschlüsse des Fremden in den Anblick des Vertrauten.« (Th.C.W. Oudemans, Omerta, p.98)

de weg naar het absolute is als een weg naar de horizon: het kent geen einde. de horizon wijkt altijd voor mij uit, hoe lang en hoe ver ik ook ga. het is als wat ik eerder over mijn ‘zelf’ schreef: “de weg naar binnen is eindeloos, omdat ons zelf geen diepte heeft maar diepte is.” maar wat ik op mijn weg naar de horizon tref zijn de sporen van het gewekene. ik kom het absolute, letterlijk, op het spoor – niet in zijn aanwezigheid, maar in zijn afscheid. de weg naar het absolute is continu in de presentie van die afscheid verblijven.

zou dit wijken een transcenderen kunnen zijn? niet opgevat als een ‘hogere’ zijnsorde, maar als een ‘verder gaan dan’. en dat ik op mijn weg naar het absolute mijzelf transcendeer op dezelfde wijze dat het transcendente altijd transcendeert en daarin nooit volledig met zichzelf samenvalt – ja, kan samenvallen?

vandaag voel ik in mij het diepe, diepe verlangen naar heelheid. mijn lijf voelt als een vat vol scherven, een verlangend uitgestrekte hand die in het duister tast als een blinde op zoek naar zicht.

in memoriam

“Because people have been dying around me like flies and I’ve nobody else left to paint but myself.”, zo luidde het antwoord van Francis Bacon op de vraag waarom hij steeds meer zelfportretten schilderde. Ik moest er het afgelopen jaar regelmatig aan denken als ik voor de spiegel stond om mijn das te knopen voor het zoveelste begrafenis, de deur dichttrok bij dementerende grootouders, (groot)ouders van vrienden begroef en ook nu weer, op de avond na de begrafenis van mijn eigen oma.

»Wo das Liebste gegangen, bleibt die Liebe zurück, denn anders könnte Jenes gar nicht gegangen sein,« schrijft Martin Heidegger in Holderlin’s Hymnen. Een cryptische zin waarmee hij de verdeeldheid van het afscheid blootlegt. Want in het sterven, in het verscheiden, ervaren we als achterblijvers de onmogelijkheid van het bij elkaar blijven en tegelijk de onmogelijkheid van het losraken. »Weggaan is iets anders / dan het huis uitsluipen / zacht de deur dichttrekken / achter je bestaan en niet / terugkeren. Je blijft / iemand op wie wordt gewacht.« (Rutger Kopland, Weggaan) Afscheid nemen betekent: wachten, maar wachten op niemand. We proberen vaak op allerlei manieren aan dit wachten te ontsnappen, bijvoorbeeld door het verlies te ‘verwerken’ en zo van iemand ‘los te komen’. Of door juist in wanhoop aan de gestorvene vast te houden. In beide gevallen proberen we de afstand tussen onszelf en de geliefde op te heffen – en zo eigenlijk het afscheid terug te draaien.

Maar dit afscheid kunnen we niet terugdraaien: het is voor ons niet mogelijk het afscheid niet te ervaren, wij kunnen voortaan niet anders dan in gescheidenheid leven. Wat we ook doen, we komen van het afscheid nooit meer los. We zullen ons er toe moeten verhouden op een manier die het afscheid geen geweld aandoet door het ongedaan te maken. Ons leven zal zich niet langer moeten kenmerken door het eindeloze verlangen naar de Ander, maar door dankbaarheid in de afwezigheid van de geliefde. Zolang als ik mijzelf blijf zien als degene die wordt achtergelaten, zolang zal ik blijven zoeken naar mogelijkheden voor wat niet meer mogelijk is: samen zijn zowel als losraken. Maar als ik mezelf bezie als degene die aanwezig is in de afwezigheid van de geliefde, dan kom ik in het vertrek van de geliefde de liefde zelf op het spoor en word ik in aanwezigheid van de afwezige geliefde dankbaar gestemd. »Wo das Liebste gegangen, bleibt die Liebe zurück,« dat wil zeggen: ook de stilte heeft een stem.

van heldere bronnen en draden

één van de mooiste geschenken die j. mij heeft gegeven is de wetenschap dat er in mij een liefde is die oprecht is. dat ik in staat ben om zo zonder voorbehoud van mijn dochter te houden heeft mij – in mijn eigen ogen – gerehabiliteerd.

en tegelijk stelt dit vermogen tot liefde ook diepe vraagtekens bij de vooronderstellingen waarmee ik de wereld benader. er zijn blijkbaar in mij domeinen die niet zijn bezoedeld, bronnen die nog helder zijn.

het mooie aan elke dag twintig minuten ‘zitten’ is dat het, alleen al als bewuste actie, een tegenwicht vormt tegen mijn intrinsieke drang om elk moment van de dag te optimaliseren. het is in zekere zin elke dag de ervaring van het klooster en van rome herhalen: er zijn duizenden draden waarmee ik aan dit leven vast zit. in de stilte kom ik die draden op het spoor.

oscilleren

deze week meer dan een half uur gezeten. de duur van zo’n zit is enorm en ik kan mij nauwelijks een voorstelling maken van de intensiviteit van meerdere van dit soort zitten op een dag. fysiek, maar ook mentaal, moet het een uitputtingsslag zijn.

ik begrijp nu ook steeds meer de krachtige metafoor van de woestijnvaders: in die eindeloze vlakte is er niets meer dan jezelf. er is geen plek om te schuilen, geen steen om onder weg te kruipen – er is helemaal niets, niets dan jij.

in de boeddhistische traditie verstil ik ten overstaan van het niets, er is geen tegenover. en juist hier raakt het zitten aan de kern van mijn verdeeldheid: de ervaring dat er enkel leegte is en de hoop dat er iemand is die op mij wacht.

ik heb een ‘oscillerend’ bestaan. een prachtig beeld voor hoe het er in mijn leven aan toe gaat. een oscillatie, of ‘trilling’, is “een periodiek herhaalde omkering van bewegingsrichting” veroorzaakt door “een verstoring van een stabiele evenwichtssituatie.” ik ben inderdaad als een permanent uit zijn evenwicht gebrachte massa, die naarmate hij ‘heelheid’ nadert de tegengestelde beweging naar ‘gebrokenheid’ inzet – om naarmate hij ‘gebrokenheid’ nadert de tegengestelde beweging naar ‘heelheid’ in te zetten, en dit ad infinitum. hoe hervind ik mijn evenwicht, of: hoe demp ik de beweging? en: wil ik dat?

waggelen in italië

hoe het bruin in haar ogen goud fonkelt
als het ochtendlicht haar gezicht raakt, 
haar handje dat mijn pink omvat –
samen waggelen we de heuvel af
 
de warmte, de zon en de heerlijkheid van het leven hier maken het me moeilijk om me uiteen te zetten met het lijden. kruisgang, vernedering en eenzaamheid lijken ver weg. alsof in dit licht ook de pijn verbleekt.

newman’s stations | geen wijs uit de ruimte

in een interview met david sylvester zegt barnett newman: »I hope that my painting has the impact of giving someone, as it did me, the feeling of his own totality, of his own separateness, of his own individuality, and at the same time of his connection to others, who are also separate.« dit is wat zijn doeken beogen – mij terug te werpen op mijzelf, mij mijn plaats te wijzen.

“hier sta ik, het kan niet anders.” het doek wijst mij mijn plaats. in de stations is het niet duidelijk wat voorgrond, wat achtergrond is. het perspectief van het doek zelf verdwijnt en wat er voor in de plaats komt is het perspectief van mijzelf als kijker: ik ben het die uit deze ruimte geen wijs wordt.

j’s wimpers

j. rent door de woonkamer, cirkelt om de tafel heen en rent mijn armen in. het is onderdeel van ons spel: ik gebruik haar momentum om haar op te tillen, op de bank te gooien en te kietelen. ze kraait het uit van plezier. op een gegeven moment zegt ze: ‘stop. papa liggen.’ en slaakt een gelukzalige zucht als ik mijn lichaam naast het hare leg.

er komt een dag dat j. ditzelfde spel met haar kinderen zal spelen, zich als volwassen vrouw naast haar kinderen zal leggen en zij op hun beurt zullen zuchten van geluk. ik hoop dat het mij gegeven is dat te zien, maar nog meer hoop ik dat het j. gegeven is in haar eigen eindigheid dit zicht op een stukje eeuwigheid te krijgen.

haar wimpertjes en wenkbrauwen zijn identiek aan de mijne. ze zijn ‘identiek’ op dezelfde manier als mijn handen van vandaag ‘identiek’ zijn aan mijn handen van twintig jaar terug: ze zijn hetzelfde, maar toch ook weer niet. in mijn enig kind zet ik mij, in weerwil van de tijd, voort. het licht in mijn ogen zal breken, maar mijn wimpers zullen in de eeuwigheid licht vangen.

newman’s stations | ipsissima verba

de zeven laatste woorden van jezus, verspreid over vier evangeliën met nauwelijks overlap. wat heeft hij gezegd, daar aan het kruis? was er inderdaad sprake van vergeving voor hen die niet wisten wat zijn deden, voor de misdadiger die naast hem aan het kruis hing? zag hij nog een laatste maal zijn moeder, hoe haar hart brak bij zijn eigen einde? van ‘mijn god, waarom hebt u mij verlaten’ en ‘vader, in uw handen geef ik mijn geest’ tot ‘het is volbracht’ – we hebben geen idee. het maakt misschien ook niet veel uit. de rijkdom van de verhalen maakt mij vrij om te kiezen, zoals het in mijn leven resoneert – of wringt.

bijbelse teksten, maar in zekere zin ook de griekse tragediën of andere antieke verhalen en gedichten, werken twee kanten op. aan de ene kant bieden ze mij termen waarmee ik mijn eigen ervaring onder woorden kan brengen. ze bevestigen mij in de manier waarop ik mijn leven ervaar, geven houvast en vaste grond onder de voeten. maar aan de andere kant zijn het ook verhalen die mij ontwrichten, die mij een alternatief voor houden. ik ben niet de eerste die zich verlaten voelt, die twijfelt aan zijn plek in het leven en zich afvraagt waar het leven toe dient. maar tegelijk biedt het mij ook perspectief op geborgenheid, op levensbestemming en -zin.

misschien is het wel zo: het verhaal trekt mijn blik door de mate waarin het voor mij herkenbaar is – en leidt mijn blik verder naar wat nog onontdekt was aan mijzelf en de wereld waarin ik leef.