Random header image... Refresh for more!

beelden bij een vader

vandaag de trouwfoto van mijn ouders naar de lijstenmaker gebracht. het is een foto die mij mild stemt. als ik de jeugd van mijn ouders in hun ogen lees, hun zorgeloosheid en vertrouwen, de onwetendheid van wat hun liefde voor hen in petto heeft, dan weet ik dat ik een kind van hun oprechte liefde ben. het is een foto die, ondanks dat het de kiemen van verdriet in zich draagt, mij vertelt dat ik ontspring aan een zuivere bron.

ik heb ook een bedrijfsfoto van mijn vader uit 1998 in laten lijsten. het is een qua compositie dramatische foto, waarin mijn vader, geflankeerd door fragmenten van een plant (rechts) en een schilderij (links), met de armen voor de borst vol overtuiging de camera in kijkt. het is een foto die een wereld aan emoties oproept over de band met mijn vader. het driedelig pak heb ik een paar jaar later als student gekregen als “braspak” en heeft jaren verfomfaaid, van bier en tabakslucht doordrenkt, onder mijn bed gelegen. de tab-collar boord is “trademark p.”, eigenzinnig traditioneel. de schoenen herinneren me aan het pakket dat mijn vader elk jaar van zijn klant van lier schoenen kreeg. zijn houding straalt vertrouwen en enthousiasme uit, en dat in een periode van zijn leven waarin hij al diep ongelukkig was in zijn huwelijk met mijn moeder.

“de voetsporen van mijn vader,” dat is de titel die ik deze foto misschien zou geven. want ook ik heb een gedeelte van mijn leven afgelegd in die van lier schoenen, ook ik speel in de wereld van bedrijven mijn rol. en word ik daarin niet vooral door hem gedreven, door mijn wens om in zijn voetsporen te treden – te laten zien dat ik het ook kan (in de zakenwereld), te laten zien dat ik het wel kan (in het gezin)? en is dat niet ook meteen wat deze foto mij zegt: wie ik ben is voor mijn vader al meer dan goed genoeg. ik moet mij geen illusie maken over dat mijn succes in de zakenwereld mij dichter bij mijn vader brengt, mij zijn liefde meer waardig maakt. want de man in het driedelig pak met de tab collar is de man zijn kleding aflegde en een rol opnam die hij zo goed en kwaad als hij kon speelde: die van de man die naast het hockey-veld stond, met mij ging tennissen, mij ophaalde van station amersfoort; die van de man die altijd en ondanks, nee: vanwege, alles van mij houdt.

geraaktheid

»In Newman’s work, then, although the human presence is confined within the vertical strip (“here”) and differentiated from the abstract forces of nature (“out there”), the surrounding expansiveness of space ostensibly permits lateral movement in any direction. The stripe does not divide, it simply interrupts a continuous field, a field to which the human presence has complete access and in which it may move in any direction. In 1965, for instance, Newman wrote, “The freedom of space, the emotion of human scale, the sanctity of place are what is moving.” These three sensations are represented by three formal devices in Newman’s work and, in my view, are underwritten by three distinct schemata. The “freedom of space” is respresented by the continuous field and underwritten by the path schema; the “emotion of human scale” is represented by the vertical stripe and underwritten by the verticality schema; and, finally, the “sanctity of place” is represented by the location of the stripe, its textural or chromatic differentiation from the field, and is underwritten by the containment schema.« (Cernuschi, Not an Illustration…, p.118f.)

de doeken van newman verleiden mij telkens om de bekende weg van de reflectie te gaan. bovenstaand citaat uit cernuschi geeft een impetus om me te verdiepen in “body schema’s” – alsof ik daarmee de betekenis van de doeken op het spoor kom. waar het veeleer om gaat is om ten overstaan van deze doeken te verstillen en mij te laten aanspreken door wat zij mij te zeggen hebben.

en toch: in mij is een diep geloof dat begrip van een fenomeen de mogelijkheid schept om me er door te laten raken. begrip is niet noodzakelijk voor geraaktheid, maar kan geraaktheid mogelijk maken. ik geloof niet dat ik l. ten diepste begrijp, maar ik ben wel degelijk door haar geraakt. en hoewel begrip niet noodzakelijk is voor geraaktheid, draagt het bij verdieping van die geraaktheid: begrip, cognitief-empatisch, van wat l. beweegt verdiept mijn geraaktheid.

is dit niet de weg die ik keer op keer bewandel: oscillerend tussen de studie van het mechaniek van de gestemdheid en de incorporatie daarvan in mijn gestemd-zijn?

abstracties

»He [Kandinsky] felt that the residual perfume of his abstrated images would engage the viewer, but ideally only at a subconscious level, and thus help each viewer to recognize in this painting not a particular subject, but the fact that he or she was being transported by it into a transcendental world, into a sphere of a higher spiritual order.« [John Golding, Paths to the Absolute, p.98].

het is fascinerend om na te denken wat abstracte schilderwerken met mij doen. intuïtief zeg ik dat wat ze met mij doen intrinsiek verbonden is met hoe ze dat doen.

er is vaak nog maar een flard van het subject te vinden. in kandinsky soms nog wat oneindig geabstraheerde verwijzingen naar de symboliek van zijn eerdere werk, in newman brengen de titels ons vaak op het spoor, maar in rothko, still en pollock zijn we volledig overgeleverd aan het doek zelf.

en ook in het doek ontbreken vaak bakens voor oriëntatie. zo is het onderscheid tussen figuur en achtergrond niet duidelijk. er is geen werking van licht die in het doek een atmospheer schept waartoe wij ons moeten verhouden. er is enkel het doek en wij.

»This hint that Leonard [da Vinci] discovered is the subject quality of light. … Plastically, light impressionism makes it possible to push space back further and give tactility to the intervening atmosphere. … Leonardo’s discovery […] made it possible to unify the picture tactilely through having all the objects partake of a common enveloping atmosphere, as well as to provide a tactile means for the representation of sensuality.« [Mark Rothko, Artists’ Reality, p.31f.]

een ‘lijn’ in de kern als de zips van newman: het scheidt en in die afscheiding ligt de verbinding.

als kunst een taal is, dan moet ik haar leren verstaan. en als het waar is, dan is het in zekere zin zinloos om over een kunstwerk te schrijven. het schrijven is een vertaling – een schraal substituut voor de ervaring van het origineel.

en dat is ook zo. want de vrede en de rust die door mijn lijf golfde toen ik voor newman’s cathedra stond – hoe zou ik dat fysieke ooit in taal kunnen vatten?

tweede pool

een prachtig stuk uit huub oosterhuis’ psalm 22:
maar waarom
heb jij mij verlaten
toen de aarde schokte en beefde
de rotsen scheurden

waarom toen ik om je schreeuwde
heb je mij niet gestild?

toen ik daar hing
en maar hing
aan mijn polsen gehangen

levend gevild.

en uit psalm 22:
Waar blijft Hij, vraag je,
Hij zou toch komen?

Ja, Hij zou komen –
begin maar te zingen

En komt Hij niet,
je zult nooit weten
waarom niet.

Troost je,
Hij hoort je van verre

Hij is van ver en dichtbij

het wordt mij steeds duidelijker: ik ben, onvermijdelijk, de tweede pool in het Godsverbond. en eerlijk is eerlijk: ik houd zielsveel van de god die uit mijn leven verdween.

het voelt alsof er met het mediteren en met barnett newman een nieuwe fase is aangebroken. alsof mijn leven opnieuw gestemd wordt, de harmonie weer volledig opnieuw moet worden hersteld. ik voel hoe ik mij steeds meer bewust wordt van mijn lijf – en daarmee, zoals merleau-ponty me leerde, van mijzelf als mens. ik voel hoe er, als ik me op mijn ademhaling concentreer, zich in mijn een wereld van vrede opent, een thuis voor mijn rusteloze hart. en deze plek om te blijven is, zoals in het gedicht van rutger kopland, “leeg”: mijn hart is autè kath’ autè.

vagevuur en loutering

de weg de louteringsberg op kenmerkt zich door verlangen. maar het is een verlangen dat Dante op het spoor moet komen: zijn angst om zonder Vergilius te verdwalen moet gerust worden gesteld. »en toen de voeten niet die haast meer toonden, die de eedle zwier ontneemt aan iedere handeling, hernam mijn geest, eerst roerloos en gebonden, zijn vrije loop als smachtend van verlangen, en ‘k zond mijn blikken langs de berg naar boven die ‘t hoogst van allen uit de golven steigert.« (Purgatorio, Canto III, 10-15)

“Een dwaas is hij die hoopt , dat onze rede
doorlopen zou de nooit te meten banen
van een Zelfstandigheid in drie Personen.
O mens, wees met het quia dan tevreden,
want als uw geest zich alles had veroverd,
waartoe had dan Maria nog te baren?”
Purgatorio, Canto III, 34-39

“Waarom komt uw gemoed toch in beroering,”
vroeg mij de meester, “dat ge uw gang vermindert?
Wat deert het u, dat zij daarginds wat fluisteren?
Treed in mijn spoor en laat de schimmen praten.
Sta vast zoals een toren staat, wiens spitse
niet beeft en trilt bij storm en onweersvlagen.
Steeds verder dwaalt de mens van zijn bedoeling,
als maar gedachten kiemen uit gedachten,
zodat ze elkanders kracht en vuur verstikken.”
Purgatorio, Canto V, 10-18

de toegang tot het vageuur is alleen te verkrijgen door drie drempels te nemen, nl. die van het gewetensonderzoek (wit marmer), het berouw (purper steen) en de vergeving (rood porfier). als hij knielt en aan de engel vraagt om de poort te ontsluiten, geeft de wachter hem mee: “zorg, dat in ‘t vagevuur uw wonden helen.” (Canto IX, 114). ik heb het altijd gezien als de plek waar de mens door foltering gestraft werd voor zijn zonden, maar hier symboliseert het de plek waar de mens wordt genezen van zijn pijn.

in de tuin van dante

“Geen dood besprong hem nog”, hernam de meester, “geen zonde sleurt hem voort ter droeve foltring, maar tot vervulling van zijn diepste wezen moet ik, een dode, zijn geleider wezen van kring tot kring door heel de helle-diepte…” (Inferno, Canto XXVIII, 46-50). dante’s tocht geschiedt ‘tot vervulling van zijn diepste wezen’ – maar hoe? en waarom? wat betekent het om door de hel te gaan en de louteringsberg te beklimmen om in de hemel te komen?

in de hel wijst vergilius dante terecht omdat hij “geniet” van het lijden. het groteske heeft inderdaad zijn aantrekkingskracht, net als de rechtvaardigheid.

opvallend is ook dat vergilius als geleider beperkte houdbaarheid heeft: het is uiteindelijk beatrice die dante het paradijs doet schouwen.

dante maakte zijn tocht “juist midden op de reistocht van ons leven”, d.w.z. als hij 35 jaar oud is. dit is ook mijn leeftijd. en midden op de reistocht van mijn leven heb ik geen enkel besef van richting.

ik loop met mijn enig kind door de tuin. de zon schijnt, zij zet het op een drafje terug naar “het paleis” waar “de prinsen wonen”. het leven voelt eindig, alsof dit alles nooit weerkeert – alsof het al voorbij is nog voor het begint.

dit besef van eindigheid te laten bestaan, mij voor dit moment te laten bepalen – het is een vreemd soort troost. hier ben ik, met mijn voeten in dit gras en daar is mijn dochter. hier ben ik en daar is het huis, met de tuin en de geiten. en ik zie mijzelf glashelder, zo helder als het huis, de tuin en de geiten in het toscaanse licht. mijn dochter rent, draait haar hoofd om en lacht. ik ben haar vader, ik sta met mijn voeten in het gras. ik sta hier en hier is het goed.

opvoeding

»De theoretische bezinning dwingt tot rekenschap, legt ons open voor kritiek van en discussie met anderen, dwingt ons onszelf kritisch te zien en dus te her-zien. Dat “pedagogiek studeren” zelf anders worden betekent, heeft Gunning reeds duidelijk doen gevoelen.« [Langeveld, p.16]

het mooie aan langeveld’s beknopte theoretische paedagogiek is de nadruk die het legt op ouder en kind als polen van het opvoedingsveld. het kind is een mensenwezen dat op weg is van de hulpeloze geboorteling naar de volwassen mens die beschikt over ‘zelfverantwoordelijke zelfbepaling’. als zodanig is het kind tegelijk ‘al reeds’ en ‘nog niet’ volwassen. de tocht naar volwassenheid is een hachelijk avontuur, voor zowel ouder als kind. want waar het kind moet leren om in toenemende mate op eigen benen te staan, daar moet de ouder leren het kind te laten staan – en vallen.

prachtig hoe langeveld schrijft hoe ouder en kind zich wederzijds met elkaar identificeren: de ouder “is” het kind wanneer het bepaalt dat het kind naar bed gaat. en het kind “is” de ouder als het zich laat leiden door dit gezag. dit illustreert ook meteen het gevaar dat je als ouder deze identificatie blijft veronderstellen, dat wil zeggen: blijft leunen op een gezag dat er al lang niet meer is.

langeveld spreekt ook over de natuurlijke omvang van ouders en kinderen als een ‘pedagogisch gepreformeerd veld”, dat wil zeggen: als een levensdomein dat de mogelijkheid van een opvoedkundige dimensie in zich heeft. zo is het wellicht met de hele wereld ten opzichte van het transcendente: het is een transcendentaal gepreformeerd veld, waar wij, indien wij daar oog voor hebben, het eeuwige kunnen schouwen.

op het spoor

»dan is een beeld geen afbeelding, geen inbeelding en geen verbeelding, maar een icoon waarin het woord eikoo, wijken te horen is. zij laten iets zien en daarin verhullen ze datgene wat ze op weg gebracht heeft – dus niet iets bovenzintuiglijks. ze zijn erblickbare Einschlüsse des Fremden in den Anblick des Vertrauten.« (Th.C.W. Oudemans, Omerta, p.98)

de weg naar het absolute is als een weg naar de horizon: het kent geen einde. de horizon wijkt altijd voor mij uit, hoe lang en hoe ver ik ook ga. het is als wat ik eerder over mijn ‘zelf’ schreef: “de weg naar binnen is eindeloos, omdat ons zelf geen diepte heeft maar diepte is.” maar wat ik op mijn weg naar de horizon tref zijn de sporen van het gewekene. ik kom het absolute, letterlijk, op het spoor – niet in zijn aanwezigheid, maar in zijn afscheid. de weg naar het absolute is continu in de presentie van die afscheid verblijven.

zou dit wijken een transcenderen kunnen zijn? niet opgevat als een ‘hogere’ zijnsorde, maar als een ‘verder gaan dan’. en dat ik op mijn weg naar het absolute mijzelf transcendeer op dezelfde wijze dat het transcendente altijd transcendeert en daarin nooit volledig met zichzelf samenvalt – ja, kan samenvallen?

vandaag voel ik in mij het diepe, diepe verlangen naar heelheid. mijn lijf voelt als een vat vol scherven, een verlangend uitgestrekte hand die in het duister tast als een blinde op zoek naar zicht.

in memoriam

“Because people have been dying around me like flies and I’ve nobody else left to paint but myself.”, zo luidde het antwoord van Francis Bacon op de vraag waarom hij steeds meer zelfportretten schilderde. Ik moest er het afgelopen jaar regelmatig aan denken als ik voor de spiegel stond om mijn das te knopen voor het zoveelste begrafenis, de deur dichttrok bij dementerende grootouders, (groot)ouders van vrienden begroef en ook nu weer, op de avond na de begrafenis van mijn eigen oma.

»Wo das Liebste gegangen, bleibt die Liebe zurück, denn anders könnte Jenes gar nicht gegangen sein,« schrijft Martin Heidegger in Holderlin’s Hymnen. Een cryptische zin waarmee hij de verdeeldheid van het afscheid blootlegt. Want in het sterven, in het verscheiden, ervaren we als achterblijvers de onmogelijkheid van het bij elkaar blijven en tegelijk de onmogelijkheid van het losraken. »Weggaan is iets anders / dan het huis uitsluipen / zacht de deur dichttrekken / achter je bestaan en niet / terugkeren. Je blijft / iemand op wie wordt gewacht.« (Rutger Kopland, Weggaan) Afscheid nemen betekent: wachten, maar wachten op niemand. We proberen vaak op allerlei manieren aan dit wachten te ontsnappen, bijvoorbeeld door het verlies te ‘verwerken’ en zo van iemand ‘los te komen’. Of door juist in wanhoop aan de gestorvene vast te houden. In beide gevallen proberen we de afstand tussen onszelf en de geliefde op te heffen – en zo eigenlijk het afscheid terug te draaien.

Maar dit afscheid kunnen we niet terugdraaien: het is voor ons niet mogelijk het afscheid niet te ervaren, wij kunnen voortaan niet anders dan in gescheidenheid leven. Wat we ook doen, we komen van het afscheid nooit meer los. We zullen ons er toe moeten verhouden op een manier die het afscheid geen geweld aandoet door het ongedaan te maken. Ons leven zal zich niet langer moeten kenmerken door het eindeloze verlangen naar de Ander, maar door dankbaarheid in de afwezigheid van de geliefde. Zolang als ik mijzelf blijf zien als degene die wordt achtergelaten, zolang zal ik blijven zoeken naar mogelijkheden voor wat niet meer mogelijk is: samen zijn zowel als losraken. Maar als ik mezelf bezie als degene die aanwezig is in de afwezigheid van de geliefde, dan kom ik in het vertrek van de geliefde de liefde zelf op het spoor en word ik in aanwezigheid van de afwezige geliefde dankbaar gestemd. »Wo das Liebste gegangen, bleibt die Liebe zurück,« dat wil zeggen: ook de stilte heeft een stem.

van heldere bronnen en draden

één van de mooiste geschenken die j. mij heeft gegeven is de wetenschap dat er in mij een liefde is die oprecht is. dat ik in staat ben om zo zonder voorbehoud van mijn dochter te houden heeft mij – in mijn eigen ogen – gerehabiliteerd.

en tegelijk stelt dit vermogen tot liefde ook diepe vraagtekens bij de vooronderstellingen waarmee ik de wereld benader. er zijn blijkbaar in mij domeinen die niet zijn bezoedeld, bronnen die nog helder zijn.

het mooie aan elke dag twintig minuten ‘zitten’ is dat het, alleen al als bewuste actie, een tegenwicht vormt tegen mijn intrinsieke drang om elk moment van de dag te optimaliseren. het is in zekere zin elke dag de ervaring van het klooster en van rome herhalen: er zijn duizenden draden waarmee ik aan dit leven vast zit. in de stilte kom ik die draden op het spoor.