Random header image... Refresh for more!

vreemdeling

ik loop terug vanuit de sportschool en voel me een vreemdeling. in de avond, als al het werk gedaan, al mijn streven voorbij is blijft er niets over dan mijn trieste, verloren gemoed; niets dan de verlaten jonge man onderweg naar zijn bed.

de doeken van newman hebben geen referentieel object meer. in zekere zin heeft elke betekenis ze daarmee verlaten: het zijn ‘pictures of nothing’. en juist omdat ze refereren naar niets zijn ze op een heel bijzondere manier present, zoals ook het niets van de dood altijd present is. niet als referent, maar als een horizon die referentie mogelijk maakt. waarom wijst dit doek mij mijn plaats? omdat het mij bepaalt bij waar ik ben – hier, in dit vibrerende veld van kleur en lijn.

ik ken geen schuld of twijfel meer over deze triestheid: ik weet dat het een integraal onderdeel is van wie ik ben, van hoe ik in het leven sta. ik kijk met de jaren met meer mildheid naar mijzelf: het kind dat in mij verdween is voorgoed verloren, geen liefde zal het tevoorschijn beminnen. mijn beschadigd hart is wat rest. en dit hart mag zich twijfelend en aarzelend een thuis zoeken.

moeder

uit de oude doos

sinds de terugkeer van de ski-vakantie voelt het alsof ik als persoon in de verdrukking zit. het vertrek van mijn moeder naar amerika om daar een jaar te fietsen, de aanhoudende roep van j. om haar oma en het non-stop zingen van ‘jezus is de goede herder’, de druk op mijn werk en de steeds maar uitdijende onzekerheid in mijzelf over of ik mijn werk wel goed do – het drukt mij teneer.

ik lijd nog altijd aan de relatie met mijn moeder, en misschien nog wel het meest aan het feit dat ik maar niet kan ophouden er aan te lijden. de zeurende pijn, het verdriet en de woede kan alleen maar verstommen en verstillen, ik kan het slechts verdoven. en bij elke nieuwe prikkeling komt de volle pijn weer terug. deze wond, ik kan er enkel ongeloofwaardig naar staren. want dat zij mij nog altijd zoveel pijn doet, dat ik tot in de kern van mijn wezen wordt gekwetst door de klank van haar stem, de aanraking van haar huid, de geur van haar haar – dit is de waarheid waar ik liever niet aan wil.

c. zei laatst: “zij is het belangrijkste persoon in je leven.” ik wil daar niet aan. ik wil haar die eer niet geven – maar vrees dat ik dat toch zal moeten.

in het tohuwabohu van mijn hart

wat is het mechaniek waardoor er op de bodem van de verlatenheid ruimte voor verlangen ontstaat? het beeld van dante’s tocht met vergilius dringt zich op: alleen de weg die helemaal in de hel afdaalt leidt naar het paradijs.

is het misschien zo: als ik mij mijn eigen afgescheidenheid realiseer, als ik mijzelf verlaten weet, dan weet ik mij ook verlaten door de ander. zo kom ik in mijn verlatenheid de ander op het spoor: als een afwezigheid. naarmate de wereld zich steeds nauwer om mij sluit, naarmate ik me steeds verder teruggeworpen weet op het terrein dat mijn lichaam is, naarmate ik me bedreigd weet kom ik steeds dichter bij het punt waarop de werkelijkheid van die ander openklapt: niet als presentie, maar als afwezigheid.

verlaten zijn, verlaten worden: dit is iets wat ik als mens onderga. maar ik ben zelf ook een “verlater” — al is het maar door mijn sterfelijkheid.

in mij is het onrustig, maar ik kan de vinger er niet op leggen waar het in zit. het stormt in het tohuwabohu van mijn hart, maar vanwaar de wind waait kan ik (nog) niet zeggen. zijn het de klanken van de amerikaanse taal, de ruimte van het leven hier, de eindeloos blauwe texaanse hemel die zwanger is van meer dan zij baart?

het voelt alsof het hele leven dat ik mij meedraag aan de oppervlakte komt. en dan de vertwijfeling daar over: hier ben ik dan in het land van al mijn dromen – verloren.

verloren, ja. maar ook verlaten: mijn eigen dromen hebben me in de steek gelaten door stilletjes uit mijn leven te verdwijnen. en het huis dat ik gevonden had heb ik verlaten om in den vreemde mijn tent op te slaan.

beelden bij een vader

vandaag de trouwfoto van mijn ouders naar de lijstenmaker gebracht. het is een foto die mij mild stemt. als ik de jeugd van mijn ouders in hun ogen lees, hun zorgeloosheid en vertrouwen, de onwetendheid van wat hun liefde voor hen in petto heeft, dan weet ik dat ik een kind van hun oprechte liefde ben. het is een foto die, ondanks dat het de kiemen van verdriet in zich draagt, mij vertelt dat ik ontspring aan een zuivere bron.

ik heb ook een bedrijfsfoto van mijn vader uit 1998 in laten lijsten. het is een qua compositie dramatische foto, waarin mijn vader, geflankeerd door fragmenten van een plant (rechts) en een schilderij (links), met de armen voor de borst vol overtuiging de camera in kijkt. het is een foto die een wereld aan emoties oproept over de band met mijn vader. het driedelig pak heb ik een paar jaar later als student gekregen als “braspak” en heeft jaren verfomfaaid, van bier en tabakslucht doordrenkt, onder mijn bed gelegen. de tab-collar boord is “trademark p.”, eigenzinnig traditioneel. de schoenen herinneren me aan het pakket dat mijn vader elk jaar van zijn klant van lier schoenen kreeg. zijn houding straalt vertrouwen en enthousiasme uit, en dat in een periode van zijn leven waarin hij al diep ongelukkig was in zijn huwelijk met mijn moeder.

“de voetsporen van mijn vader,” dat is de titel die ik deze foto misschien zou geven. want ook ik heb een gedeelte van mijn leven afgelegd in die van lier schoenen, ook ik speel in de wereld van bedrijven mijn rol. en word ik daarin niet vooral door hem gedreven, door mijn wens om in zijn voetsporen te treden – te laten zien dat ik het ook kan (in de zakenwereld), te laten zien dat ik het wel kan (in het gezin)? en is dat niet ook meteen wat deze foto mij zegt: wie ik ben is voor mijn vader al meer dan goed genoeg. ik moet mij geen illusie maken over dat mijn succes in de zakenwereld mij dichter bij mijn vader brengt, mij zijn liefde meer waardig maakt. want de man in het driedelig pak met de tab collar is de man zijn kleding aflegde en een rol opnam die hij zo goed en kwaad als hij kon speelde: die van de man die naast het hockey-veld stond, met mij ging tennissen, mij ophaalde van station amersfoort; die van de man die altijd en ondanks, nee: vanwege, alles van mij houdt.

geraaktheid

»In Newman’s work, then, although the human presence is confined within the vertical strip (“here”) and differentiated from the abstract forces of nature (“out there”), the surrounding expansiveness of space ostensibly permits lateral movement in any direction. The stripe does not divide, it simply interrupts a continuous field, a field to which the human presence has complete access and in which it may move in any direction. In 1965, for instance, Newman wrote, “The freedom of space, the emotion of human scale, the sanctity of place are what is moving.” These three sensations are represented by three formal devices in Newman’s work and, in my view, are underwritten by three distinct schemata. The “freedom of space” is respresented by the continuous field and underwritten by the path schema; the “emotion of human scale” is represented by the vertical stripe and underwritten by the verticality schema; and, finally, the “sanctity of place” is represented by the location of the stripe, its textural or chromatic differentiation from the field, and is underwritten by the containment schema.« (Cernuschi, Not an Illustration…, p.118f.)

de doeken van newman verleiden mij telkens om de bekende weg van de reflectie te gaan. bovenstaand citaat uit cernuschi geeft een impetus om me te verdiepen in “body schema’s” – alsof ik daarmee de betekenis van de doeken op het spoor kom. waar het veeleer om gaat is om ten overstaan van deze doeken te verstillen en mij te laten aanspreken door wat zij mij te zeggen hebben.

en toch: in mij is een diep geloof dat begrip van een fenomeen de mogelijkheid schept om me er door te laten raken. begrip is niet noodzakelijk voor geraaktheid, maar kan geraaktheid mogelijk maken. ik geloof niet dat ik l. ten diepste begrijp, maar ik ben wel degelijk door haar geraakt. en hoewel begrip niet noodzakelijk is voor geraaktheid, draagt het bij verdieping van die geraaktheid: begrip, cognitief-empatisch, van wat l. beweegt verdiept mijn geraaktheid.

is dit niet de weg die ik keer op keer bewandel: oscillerend tussen de studie van het mechaniek van de gestemdheid en de incorporatie daarvan in mijn gestemd-zijn?

abstracties

»He [Kandinsky] felt that the residual perfume of his abstrated images would engage the viewer, but ideally only at a subconscious level, and thus help each viewer to recognize in this painting not a particular subject, but the fact that he or she was being transported by it into a transcendental world, into a sphere of a higher spiritual order.« [John Golding, Paths to the Absolute, p.98].

het is fascinerend om na te denken wat abstracte schilderwerken met mij doen. intuïtief zeg ik dat wat ze met mij doen intrinsiek verbonden is met hoe ze dat doen.

er is vaak nog maar een flard van het subject te vinden. in kandinsky soms nog wat oneindig geabstraheerde verwijzingen naar de symboliek van zijn eerdere werk, in newman brengen de titels ons vaak op het spoor, maar in rothko, still en pollock zijn we volledig overgeleverd aan het doek zelf.

en ook in het doek ontbreken vaak bakens voor oriëntatie. zo is het onderscheid tussen figuur en achtergrond niet duidelijk. er is geen werking van licht die in het doek een atmospheer schept waartoe wij ons moeten verhouden. er is enkel het doek en wij.

»This hint that Leonard [da Vinci] discovered is the subject quality of light. … Plastically, light impressionism makes it possible to push space back further and give tactility to the intervening atmosphere. … Leonardo’s discovery […] made it possible to unify the picture tactilely through having all the objects partake of a common enveloping atmosphere, as well as to provide a tactile means for the representation of sensuality.« [Mark Rothko, Artists’ Reality, p.31f.]

een ‘lijn’ in de kern als de zips van newman: het scheidt en in die afscheiding ligt de verbinding.

als kunst een taal is, dan moet ik haar leren verstaan. en als het waar is, dan is het in zekere zin zinloos om over een kunstwerk te schrijven. het schrijven is een vertaling – een schraal substituut voor de ervaring van het origineel.

en dat is ook zo. want de vrede en de rust die door mijn lijf golfde toen ik voor newman’s cathedra stond – hoe zou ik dat fysieke ooit in taal kunnen vatten?

tweede pool

een prachtig stuk uit huub oosterhuis’ psalm 22:
maar waarom
heb jij mij verlaten
toen de aarde schokte en beefde
de rotsen scheurden

waarom toen ik om je schreeuwde
heb je mij niet gestild?

toen ik daar hing
en maar hing
aan mijn polsen gehangen

levend gevild.

en uit psalm 22:
Waar blijft Hij, vraag je,
Hij zou toch komen?

Ja, Hij zou komen –
begin maar te zingen

En komt Hij niet,
je zult nooit weten
waarom niet.

Troost je,
Hij hoort je van verre

Hij is van ver en dichtbij

het wordt mij steeds duidelijker: ik ben, onvermijdelijk, de tweede pool in het Godsverbond. en eerlijk is eerlijk: ik houd zielsveel van de god die uit mijn leven verdween.

het voelt alsof er met het mediteren en met barnett newman een nieuwe fase is aangebroken. alsof mijn leven opnieuw gestemd wordt, de harmonie weer volledig opnieuw moet worden hersteld. ik voel hoe ik mij steeds meer bewust wordt van mijn lijf – en daarmee, zoals merleau-ponty me leerde, van mijzelf als mens. ik voel hoe er, als ik me op mijn ademhaling concentreer, zich in mijn een wereld van vrede opent, een thuis voor mijn rusteloze hart. en deze plek om te blijven is, zoals in het gedicht van rutger kopland, “leeg”: mijn hart is autè kath’ autè.

vagevuur en loutering

de weg de louteringsberg op kenmerkt zich door verlangen. maar het is een verlangen dat Dante op het spoor moet komen: zijn angst om zonder Vergilius te verdwalen moet gerust worden gesteld. »en toen de voeten niet die haast meer toonden, die de eedle zwier ontneemt aan iedere handeling, hernam mijn geest, eerst roerloos en gebonden, zijn vrije loop als smachtend van verlangen, en ‘k zond mijn blikken langs de berg naar boven die ‘t hoogst van allen uit de golven steigert.« (Purgatorio, Canto III, 10-15)

“Een dwaas is hij die hoopt , dat onze rede
doorlopen zou de nooit te meten banen
van een Zelfstandigheid in drie Personen.
O mens, wees met het quia dan tevreden,
want als uw geest zich alles had veroverd,
waartoe had dan Maria nog te baren?”
Purgatorio, Canto III, 34-39

“Waarom komt uw gemoed toch in beroering,”
vroeg mij de meester, “dat ge uw gang vermindert?
Wat deert het u, dat zij daarginds wat fluisteren?
Treed in mijn spoor en laat de schimmen praten.
Sta vast zoals een toren staat, wiens spitse
niet beeft en trilt bij storm en onweersvlagen.
Steeds verder dwaalt de mens van zijn bedoeling,
als maar gedachten kiemen uit gedachten,
zodat ze elkanders kracht en vuur verstikken.”
Purgatorio, Canto V, 10-18

de toegang tot het vageuur is alleen te verkrijgen door drie drempels te nemen, nl. die van het gewetensonderzoek (wit marmer), het berouw (purper steen) en de vergeving (rood porfier). als hij knielt en aan de engel vraagt om de poort te ontsluiten, geeft de wachter hem mee: “zorg, dat in ‘t vagevuur uw wonden helen.” (Canto IX, 114). ik heb het altijd gezien als de plek waar de mens door foltering gestraft werd voor zijn zonden, maar hier symboliseert het de plek waar de mens wordt genezen van zijn pijn.

in de tuin van dante

“Geen dood besprong hem nog”, hernam de meester, “geen zonde sleurt hem voort ter droeve foltring, maar tot vervulling van zijn diepste wezen moet ik, een dode, zijn geleider wezen van kring tot kring door heel de helle-diepte…” (Inferno, Canto XXVIII, 46-50). dante’s tocht geschiedt ‘tot vervulling van zijn diepste wezen’ – maar hoe? en waarom? wat betekent het om door de hel te gaan en de louteringsberg te beklimmen om in de hemel te komen?

in de hel wijst vergilius dante terecht omdat hij “geniet” van het lijden. het groteske heeft inderdaad zijn aantrekkingskracht, net als de rechtvaardigheid.

opvallend is ook dat vergilius als geleider beperkte houdbaarheid heeft: het is uiteindelijk beatrice die dante het paradijs doet schouwen.

dante maakte zijn tocht “juist midden op de reistocht van ons leven”, d.w.z. als hij 35 jaar oud is. dit is ook mijn leeftijd. en midden op de reistocht van mijn leven heb ik geen enkel besef van richting.

ik loop met mijn enig kind door de tuin. de zon schijnt, zij zet het op een drafje terug naar “het paleis” waar “de prinsen wonen”. het leven voelt eindig, alsof dit alles nooit weerkeert – alsof het al voorbij is nog voor het begint.

dit besef van eindigheid te laten bestaan, mij voor dit moment te laten bepalen – het is een vreemd soort troost. hier ben ik, met mijn voeten in dit gras en daar is mijn dochter. hier ben ik en daar is het huis, met de tuin en de geiten. en ik zie mijzelf glashelder, zo helder als het huis, de tuin en de geiten in het toscaanse licht. mijn dochter rent, draait haar hoofd om en lacht. ik ben haar vader, ik sta met mijn voeten in het gras. ik sta hier en hier is het goed.

opvoeding

»De theoretische bezinning dwingt tot rekenschap, legt ons open voor kritiek van en discussie met anderen, dwingt ons onszelf kritisch te zien en dus te her-zien. Dat “pedagogiek studeren” zelf anders worden betekent, heeft Gunning reeds duidelijk doen gevoelen.« [Langeveld, p.16]

het mooie aan langeveld’s beknopte theoretische paedagogiek is de nadruk die het legt op ouder en kind als polen van het opvoedingsveld. het kind is een mensenwezen dat op weg is van de hulpeloze geboorteling naar de volwassen mens die beschikt over ‘zelfverantwoordelijke zelfbepaling’. als zodanig is het kind tegelijk ‘al reeds’ en ‘nog niet’ volwassen. de tocht naar volwassenheid is een hachelijk avontuur, voor zowel ouder als kind. want waar het kind moet leren om in toenemende mate op eigen benen te staan, daar moet de ouder leren het kind te laten staan – en vallen.

prachtig hoe langeveld schrijft hoe ouder en kind zich wederzijds met elkaar identificeren: de ouder “is” het kind wanneer het bepaalt dat het kind naar bed gaat. en het kind “is” de ouder als het zich laat leiden door dit gezag. dit illustreert ook meteen het gevaar dat je als ouder deze identificatie blijft veronderstellen, dat wil zeggen: blijft leunen op een gezag dat er al lang niet meer is.

langeveld spreekt ook over de natuurlijke omvang van ouders en kinderen als een ‘pedagogisch gepreformeerd veld”, dat wil zeggen: als een levensdomein dat de mogelijkheid van een opvoedkundige dimensie in zich heeft. zo is het wellicht met de hele wereld ten opzichte van het transcendente: het is een transcendentaal gepreformeerd veld, waar wij, indien wij daar oog voor hebben, het eeuwige kunnen schouwen.